Als facilitator kijk je voortdurend naar wat er in een groep gebeurt. Maar waar kijk je dan eigenlijk naar? Naar de inhoud? Naar de interactie? Naar wat er bij individuele deelnemers gebeurt?
In de training Faciliteren van Professionals – level 2 werken we met de drie perspectieven ik – wij – het. Voor mij is dit een eenvoudig, maar krachtig kijkkader. Het helpt me om niet te snel naar oplossingen te springen, maar eerst beter te kijken: wat speelt hier eigenlijk?
Want wie een groep begeleidt, moet voortdurend kunnen schakelen tussen wat er bij mensen gebeurt, wat er tussen mensen gebeurt en waar de groep samen aan werkt.
Drie perspectieven
We kijken allemaal naar dezelfde situatie. En toch zien we vaak iets anders. De één merkt vooral op wat er feitelijk gebeurt, de ander ziet wat er tussen mensen speelt en een derde is vooral bezig met wat de situatie met hemzelf doet. Geen van die perspectieven is per definitie juist of onjuist. Ze laten verschillende kanten van dezelfde werkelijkheid zien.
Ik – wat gebeurt er in mij?

Het perspectief van ik gaat over de individuele binnenwereld. Wat denk ik? Wat voel ik? Wat wil ik? Wat betekent dit voor mij? Waar ben ik van overtuigd en waar wil ik verantwoordelijkheid voor nemen? Daar horen ook persoonlijke ervaringen, waarden, aannames, intenties en creativiteit bij. Wat zie ik? Wat bedenk ik? Welke mogelijkheden of oplossingen zie ik? En kan en wil ik mij verbinden aan wat hier ontstaat?
Voor een facilitator gaat ik over de deelnemers én over de facilitator zelf, want ook de facilitator is onderdeel van de situatie. Wat gebeurt er in mij? Waarom raakt dit gesprek mij? Waarom krijg ik de neiging om in te grijpen? Waarom vind ik het gedrag van deze deelnemer lastig? En welke aannames of verwachtingen kleuren mijn kijk op wat er gebeurt?
Juist dat laatste is belangrijk. Als facilitator ben je niet neutraal buiten de groep aan het kijken. Je bent er onderdeel van en je neemt jezelf mee met al je ervaringen, voorkeuren, overtuigingen en emoties. Die beïnvloeden wat je opmerkt en hoe je reageert. Bewustzijn daarvan helpt om niet automatisch vanuit je eigen reactie te handelen.
Te veel aandacht voor IK
Wanneer vooral het individuele perspectief tijdens een bijeenkomst centraal staat, kan dat het gezamenlijke proces versnipperen. Iedereen heeft zijn eigen waarheid, behoefte, idee of bezwaar, maar het wordt moeilijker om die perspectieven met elkaar te verbinden en samen ergens te komen.
Ook de facilitator kan hierin doorschieten. Je kunt bijvoorbeeld zo sterk vanuit je eigen interpretatie, voorkeur of oplossingsdrang handelen dat je minder goed ziet wat de groep zelf nodig heeft.
Te weinig aandacht voor IK
Wanneer er weinig aandacht is voor individuele ervaringen, behoeften en overtuigingen, kunnen die gemakkelijk ondergesneeuwd raken. Mensen passen zich misschien aan de groep aan zonder zich werkelijk verbonden te voelen. Ze zeggen ‘ja’, terwijl er vanbinnen nog twijfel, weerstand of onbegrip zit.
Ook voor de facilitator geldt dit. Als je weinig aandacht hebt voor wat er bij jezelf gebeurt, kun je ongemerkt vanuit irritatie, spanning, onzekerheid of een sterke behoefte aan resultaat gaan interveniëren.
De vraag die dan onvoldoende wordt gesteld is: Wat gebeurt er bij jou en wat heb jij nodig om hierin mee te kunnen doen?
Voor de facilitator kan daar een andere vraag naast staan: Wat gebeurt er bij mij en wat betekent dat voor hoe ik kijk en handel?
Ik zorgt voor authenticiteit, inbreng en eigenaarschap. Maar zonder wij en het kan het gezamenlijke perspectief verdwijnen.
Wij – wat gebeurt er tussen ons?

Het perspectief van wij gaat over de ruimte tussen mensen. Hoe gaan we met elkaar om? Welke patronen ontstaan er? Wie neemt ruimte en wie krijgt ruimte? Waar ontstaat vertrouwen, waar spanning? Welke ongeschreven regels lijken er te gelden?
Een gesprek kan inhoudelijk heel logisch verlopen, terwijl er ondertussen iets anders gebeurt in de onderlinge verhoudingen. Mensen houden zich in, sommigen nemen steeds het woord, een kritische vraag wordt afgezwakt of dezelfde standpunten komen telkens opnieuw tegenover elkaar te staan.
Dat is niet alleen iets van de afzonderlijke personen. Het zit tussen de mensen.
Te veel aandacht voor WIJ
Wanneer vooral wij centraal staat, ontstaat veel aandacht voor relaties, harmonie, veiligheid en groepsgevoel. Dat kan waardevol zijn. Maar als de onderlinge relatie ten koste gaat van de gezamenlijke opgave, kan een groep blijven praten zonder werkelijk iets te besluiten of te realiseren.
Conflicten worden misschien zo zorgvuldig vermeden dat niemand het ongemak aangaat. De groep voelt prettig, maar de beweging ontbreekt.
Wij zorgt voor verbinding. Maar zonder het kan verbinding een doel op zichzelf worden.
Te weinig aandacht voor WIJ
Wanneer er weinig aandacht is voor wij, kijken we vooral naar individuele deelnemers en naar de inhoudelijke opgave. We vergeten dan gemakkelijk dat samenwerking niet vanzelf ontstaat.
Deelnemers kunnen ieder afzonderlijk gemotiveerd zijn en de inhoud goed begrijpen, terwijl er toch onvoldoende vertrouwen of samenwerking is. Er kunnen onuitgesproken spanningen zijn of patronen waarin sommige stemmen meer gewicht krijgen dan andere.
Een groepsprobleem wordt dan gemakkelijk behandeld als een individueel of inhoudelijk probleem.
De vraag die dan onvoldoende wordt gesteld is: Wat gebeurt er tussen ons en wat hebben wij nodig om samen verder te kunnen?
Te weinig aandacht voor wij kan ervoor zorgen dat de groep als verzameling individuen wordt benaderd. Ideeën, suggesties wordt net opgepakt verrijkt, terwijl juist de interactie tussen mensen bepaalt wat er mogelijk wordt.
Het – waar werken we aan?

Het perspectief van het richt zich op de gezamenlijke opgave. Waar zijn we hier samen aan het werk? Wat is de vraag, het probleem of het doel? Welke informatie en ideeën hebben we? Welke keuzes of oplossingen liggen erop tafel? En wat willen we uiteindelijk bereiken?
Het gaat dus om datgene waar de groep binnen de workshop samen aan werkt. De buitenwereld kan daarbij natuurlijk worden ingebracht door deelnemers, bijvoorbeeld in de vorm van kennis, ervaringen of informatie. Maar de buitenwereld zelf is niet automatisch onderdeel van het perspectief van het.
Te veel aandacht voor HET
Wanneer vooral het centraal staat, ontstaat gemakkelijk een wereld van doelen, processen, planning en resultaten. Een probleem wordt een procesprobleem. Een conflict wordt een kwestie van afspraken. Een workshop wordt een programma dat uitgevoerd moet worden.
De menselijke werkelijkheid kan daardoor uit beeld raken.
Je kunt een perfecte agenda hebben en toch geen echte betrokkenheid. Je kunt duidelijke afspraken maken en toch weinig vertrouwen hebben. Je kunt een besluit nemen zonder dat mensen zich werkelijk aan dat besluit verbinden.
Te weinig aandacht voor HET
Wanneer er weinig aandacht is voor het, kan het gesprek blijven hangen in ervaringen, relaties en perspectieven zonder dat duidelijk wordt waar de groep samen aan werkt.
Er is dan veel ruimte om te delen en naar elkaar te luisteren, maar minder aandacht voor de vraag wat dat uiteindelijk moet opleveren. Wat is onze gezamenlijke opgave? Welke keuze moeten we maken? Wat moet er gebeuren? Wanneer zijn we tevreden met het resultaat?
De vraag die dan onvoldoende wordt gesteld is: Waar zijn we hier samen voor en welke beweging willen we maken?
Te weinig aandacht voor het kan ervoor zorgen dat een groep veel met elkaar bezig is, maar onvoldoende met de opgave.
Het zorgt voor richting en helderheid. Maar zonder ik en wij kan die structuur leeg of ineffectief worden.
Als één perspectief ontbreekt
Het interessante is dat het ontbreken van één perspectief zich vaak vermomt als iets anders. Een gebrek aan aandacht voor ik kan zichtbaar worden als weerstand. Een probleem in wij kan zich voordoen als een inhoudelijke discussie. En wanneer het onvoldoende helder is, kan een gebrek aan betrokkenheid ontstaan.
Juist daarom is het belangrijk om niet te snel conclusies te trekken. Wat zich aan de oppervlakte laat zien, hoeft niet de plek te zijn waar het probleem werkelijk zit.
In plaats van meteen te vragen: Wat moeten we doen?
Kun je eerst vragen: Welk perspectief zien we hier goed – en welk perspectief zien we misschien onvoldoende?
Het gaat niet om drie hokjes
Ik, wij en het zijn geen drie afzonderlijke werelden. Ze beïnvloeden elkaar voortdurend.
Wat er in mij gebeurt, beïnvloedt hoe ik me tot anderen verhoud. Wat er tussen ons gebeurt, beïnvloedt wat ik durf te zeggen of te doen. En wat er met het gebeurt – de gezamenlijke opgave – beïnvloedt weer onze relaties en individuele ervaringen.
Voorbeeld
Stel dat tijdens een workshop een deelnemer nauwelijks iets zegt.
Vanuit ik kun je denken: misschien heeft deze persoon tijd nodig om na te denken, is hij onzeker of heeft hij weinig vertrouwen in zijn bijdrage.
Vanuit wij kun je kijken: krijgt deze persoon wel ruimte? Hoe reageert de groep op afwijkende meningen? Is er een patroon waarin een paar mensen het gesprek domineren?
Vanuit het kun je vragen: is de opdracht duidelijk? Is de gekozen werkvorm geschikt? Is het onderwerp misschien zo abstract dat deelnemers niet goed weten wat er van hen wordt verwacht?
Hetzelfde gedrag krijgt daarmee verschillende mogelijke verklaringen. En dus ook verschillende mogelijke interventies.
De kunst is leren schakelen
Het doel van het model is niet om een situatie netjes in ik, wij of het onder te brengen. De kunst is juist om vanuit verschillende perspectieven naar dezelfde situatie te kunnen kijken.
Voorbeeld vervolg:
Stel bijvoorbeeld dat een deelnemer tijdens een workshop nauwelijks iets zegt. Dan kun je verschillende vragen stellen:
- Vanuit ik: wat gebeurt er bij deze deelnemer? Heeft diegene tijd nodig om na te denken, heeft diegene twijfels of ideeën die nog niet worden uitgesproken?
- Vanuit wij: wat gebeurt er tussen deze deelnemer en de groep? Krijgt diegene voldoende ruimte? Is er een patroon waarin anderen het gesprek domineren?
- Vanuit het: is de gezamenlijke opgave duidelijk? Is de opdracht begrijpelijk en past de gekozen werkvorm bij wat we willen bereiken?
De situatie is hetzelfde, maar ieder perspectief laat iets anders zien. Door te schakelen, voorkom je dat je te snel één verklaring of oplossing kiest.
Dat vraagt om nieuwsgierigheid: niet meteen weten wat er aan de hand is, maar verschillende mogelijke verklaringen naast elkaar kunnen laten bestaan.
Wat betekent dit voor faciliteren?
Voor een facilitator is dit onderscheid bijzonder bruikbaar.
Een workshop heeft altijd een het: een vraag, onderwerp, doel, proces en gewenste opbrengst.
Er is altijd een wij: de groep, de interactie, de relaties en de groepsdynamiek.
En er is altijd een ik: de individuele deelnemer én de facilitator zelf.
De kunst is om geen van deze perspectieven uit het oog te verliezen. Je bent op zoek naar de juiste balans tussen de drie perspectieven. Dat betekent niet dat je op ieder moment evenveel aandacht aan alle drie besteedt. Soms vraagt de inhoud alle aandacht. Soms moet er eerst iets in de groep worden onderzocht. Soms is het belangrijk om stil te staan bij wat een individuele deelnemer nodig heeft.
Balans betekent dus niet dat ieder perspectief evenveel aandacht krijgt. Balans betekent dat je kunt zien welk perspectief op dit moment aandacht nodig heeft.
En precies daar begint voor mij faciliteren. Niet bij de vraag: Welke werkvorm ga ik nu doen?
En ook niet: Welke techniek moet ik inzetten? Maar bij:
- Wat gebeurt hier eigenlijk?
- Wat zie ik vanuit ik, wij en het?
- En wat vraagt de situatie nu van mij als facilitator?
Van kijken naar interveniëren
IK, WIJ en HET is geen stappenplan. Het is een kijkkader: een manier om een situatie vanuit verschillende kanten te onderzoeken voordat je besluit wat je gaat doen.
Want als facilitator is het verleidelijk om snel in actie te komen. Je ziet iemand afhaken, een groep vastlopen of een discussie ontsporen en denkt: hier moet ik iets mee.
Maar voordat je intervenieert, is het de moeite waard om eerst drie vragen te stellen:
- Wat gebeurt er bij de individuele deelnemers?
- Wat gebeurt er tussen de mensen?
- En wat gebeurt er rondom het vraagstuk, de opdracht en de regels die gelden?
Pas als je die drie perspectieven naast elkaar hebt gelegd, kun je beter bepalen waar een interventie nodig is.
Is het iets in het individu? In de samenwerking? In het vraagstuk of de manier waarop het is georganiseerd? Of vraagt juist jouw eigen rol als facilitator om aandacht?
Want goed faciliteren begint met kijken.
En pas daarna komt de vraag: waar en wanneer intervenieer ik?
